Home
Alphen
Agenda
Fotoalbums
Links
Nieuwsarchief
Plattegrond

Wat is WHAM
Onze collectie
Nieuwsbrieven
WHAM winkel
Wordt donateur
Contact WHAM

Ansichtkaarten
Bedrijvigheid
Bestuur
Bidprentjes
Criminaliteit
Gebouwen
Genealogie
Luchtfoto's
Maaswerken
Mooi Alphen
Muziek
Natuur
Onderwijs
Ontmoetingen
Oorlog
Ouwe kranten
Prinsengalerij
Publicaties
Religie
Signalement
Straatnamen
Verenigingen
Video's
Watersnood
Zoekplaatjes

Nieuw op de site
Zoeken op de site
Contact site

 
Onderwijs - Herinneringen - Vijfde en zesde klas
logo onderwijs

Piet van Hoogstraten (ca. 1912)


In 1985 verscheen in de Union, van de hand van Piet van Hoogstraten (1901-1992), een aantal verhalen over zijn herinneringen aan de lagere schooljaren.
Deze verhalen zijn hier en daar gecorrigeerd door WHAM en verder hebben wij de afbeeldingen toegevoegd.

Hieronder het derde en laatste deel van dit verhaal


Vijfde en zesde klas (1910-1912)

Als je van de vierde naar de vijfde klas ging, kwam je in het lokaal, waar de zesde klas ook in zat. Als je dan na een jaar slaagde, ging je naar de zesde klas.

In deze klassen was het hoofd der school de leermeester, maar het hoofd der school had veel werk. Vooral als het winter was, dan moest hij in vier lokalen de kachels aanmaken en zorgen dat de kolenbakken gevuld waren. Als je een beetje vroeg aan de school was, in de winter als het koud was en regende, dan ging je direct de school in, maar dan had hij nog licht een karweitje. Het was dan meehelpen kolen in de bakken halen. Bij de ingang van de school was een groot kolenhok. Ook bleef er soms wat papier achter van de vorige dag. Dat lag dan onder de banken en dan kreeg je van hem de opdracht om dat papier op te gaan rapen.

Men zat toen met twee kinderen in een bank. Die banken bestonden uit een voetenbankje, een zitbank en boven een lessenaartje. In het midden van het bankje stond de inktpot. Daar kon je beiden gebruik van maken.
Met het papier oprapen, moest je op de knieën onder die banken doorkruipen. Je kon maar amper over het voetenbankje en onder het zitbankje door komen. Je moest ook een goede sterke broek aan hebben, anders ging zij bij de knieën helemaal stuk. Maar dat had men in die tijd wel, want de pilo- en de manchester stof was heel sterk en daar werden de meeste broeken van gemaakt. Het papier dat er onder uit kwam werd direct in de kachel opgestookt. Een ophaaldienst van huisvuil was toen niet nodig. Alles wat brandbaar was ging in de winter de kachel in en in de zomer in het schoorsteenvuur. Toen was er nog op veel plaatsen een vuur onder de schoorsteen.
Om half elf moest er gewoonlijk een tas koffie gehaald worden bij de vrouw van de bovenmeester en daar lag altijd een beschuit bovenop. Met het naar de klas dragen, ging dan de koffie er niet uit.
De hoofdonderwijzer had nogal een grote snor. Als hij de eerste dronk deed van de koffie, dan bleef er gewoonlijk nog al wat aan zijn snor hangen. Maar daar wist hij wel raad op, want hij had ook een goede tong, daar sloeg hij een keer mee langs zijn snor en alle koffie was dan binnen.

Ook moesten wij bijna elke morgen een paar goede sigaren halen in de herberg, die stond vlak bij de school. Die man had ook een smederij. Die sigaren kostten toen vijf centen of een stuiver. Dat het nu zo'n goede roker was, dat meen ik niet, want op het laatst kon hij van de sigaar bijna ook pruimen.
Hoofdonderwijzer G. Sas (1912)
Toentertijd pruimden bijna alle grote mensen. Die pruimtabak kostte toen acht cent per half pond. Op de builen stond een grote rode tabaksprent. Ook pijp werd er toen veel gerookt. De oude boeren werkten nog met een tintelton om de pijp aan te maken. Dat was een doosje en daar zaten een paar lapjes in die gedrenkt waren in de petroleum. Met twee keien hard langs elkander wrijvend, maakten zij vonken en zo kregen ze dan vuur in de pijp.

Rondom het huis van de bovenmeester stonden hoge perenbomen, maar daar kwamen nooit veel peren aan. Het waren wel hele grote die er aan kwamen.
De bovenmeester ging ook wel eens vissen, want hij had een snoekgart en een visgart. Die snoekgart was heel lang. Als de peren rijp werden en erg hoog hingen, deed hij een visnetje aan die lange snoekgart. Hij hield het netje onder die peren, schudde even en de peren lagen in het netje. Zo kwamen ze mooi heelhuids onder.

Ik heb wel eens een feliciteerkaartje naar Doreske en Dorke moeten brengen van het hoofd der school. Die waren toen 50 jaar getrouwd. Toen ik er binnenkwam, kwam mij de geur tegen van het lekkere eten dat ze in de keuken aan het klaarmaken waren. Dit gouden paar woonde op Greffelen. Ook aan het Hoekeind had men een gouden paar, dat waren Evert en Mentje. Er waren van beide zijden heel mooie liedjes gemaakt.
Schijnbaar was er toch een beetje jaloezie op Greffelen, want er was ook een liedje bij van de dames die op Greffelen de versieringen bij het huis van het gouden paar hadden aangebracht. Dat ging zo: 'Op Greffelen daar viert men heden feest, men zingt, men vlagt, maakt het groen, want men wil voor den Hoek niet onderdoen.

Wij hadden een jongen op school, wiens vader metselaar was en die werkte altijd in Amsterdam.
Hij had altijd een cent die hij meebracht naar school en dat was toen heel wat. Daar ging hij dan mee naar een klein snoepwinkeltje vlak bij school. Hij kocht er dan sèp-riemen, twee voor een cent. Hij had meestal enkele kinderen bij hem staan, die vroegen: "krijg ik ook een stukje sèp-riem?"

De kinderen hebben hem toen de naam 'den sèp-riem' gegeven.
Sèp-riemen

Ik moest ook wel eens van de onderwijzer aan een andere gaan vragen hoe laat het was. Een horloge hadden ze toen allemaal nog niet en toen kreeg ik te horen dat ik zeggen moest: 'geleur ati sjie van pleau mesjeu' (Quelle heure est-il s’il vous plaît monsieur).

Pater Quirinus Sas
Het hoofd van de school had een priesterzoon* waarop hij trots was en dat mag ook. Toen hij in Alphen de eerste heilige mis deed, was het een heel groot feest.
In de hoogste klassen kregen wij ook teken- en zangles en we hebben toen een lied geleerd dat wij in de gang hebben staan zingen. De coupletten weet ik niet meer, maar het refrein nog wel en dat was zo: 'Wat vreugde smaakt hij heden, met zijne ouders mede, een reine heilige vreugd, een reine heilige vreugd.'
Het hoofd van de school was een diep gelovig mens. Hij had ons een spreuk geleerd hoe wij ons in de kerk moesten gedragen: 'In Gods heilig huis getreden, vouwt men stil de handen saam. En met liederen en gebeden, looft men daar zijn heilige naam.'




* Pater Quirinus Sas werd op 23-12-1911 priester gewijd en deed zijn eerste Heilige Mis in Alphen op 03-01-1912.

De leerstof in de vijfde en zesde klas was veelzijdig. We hadden daar een lees- en rekenboek en de lei was ook altijd nog aanwezig om op te schrijven. De randen waren van hout maar de houtkleur was door het gebruik vaak helemaal niet meer te zien. We zochten dan een stukje glas op met een goede scherpe kant eraan. Daarmee schaafden wij de randen af en dan leken ze weer zo goed als nieuw.

We leerden gewichten en maten kennen. Hoeveel grammen een ons was en hoeveel grammen een pond. In de winkel werd bijna alles per ons of half pond verkocht.
De geldstukken leerden wij ook kennen. Met een halve cent begon het, dan een cent, dan een grote cent, dat was tweeënhalve cent, dan het dubbeltje en het kwartje en als laatste de gulden en rijksdaalder. Men sprak toen veel over stuivers om de waarde te bepalen. Iets kostte bijvoorbeeld zeven stuivers, twaalf stuivers of vijftien stuivers.
Tweeënhalve cent
Zo werd de waarde aangeduid, maar de meesten van ons hadden ook geleerd, hoeveel centen een ons kostte en hoeveel stuivers een pond kostte.

Met opstellen maken kon je zelf kiezen waar het over ging. Je mocht ook gedichten tot opstel kiezen. Ik herinner me: 'De meikever'

De meikever
Het was avond en het maantje scheen zo helder in de stroom.
Een zwart bruin bonte kever hing zo prettig in een boom.
Van het ene blad naar het andere vloog hij blij en vrolijk rond,
en zong daarbij een wijsje dat niemand goed verstond.
Maar ook in het maanlicht liep een kleine jongen rond,
en die schudde van de eikenboom de kevers op de grond.
De kever sloeg zijn vleugels uit maar sloeg ze weer ineen,
wat was hij graag weer vrij geweest en in de boom maar neen,
de knaap had naald en draad en reeg die door de kever heen.
Toen kroop het arme kleine dier van bittere pijn ineen.
Hij snorde en hij bromde en draaide in het rond, maar niet meer van plezier,
en kreeg de knaap geen medelijden met het arme kleine dier?
Ach neen, hij vond dat brommen mooi en dacht niet aan de pijn.
Hoe kon zo’n kleine dreumes toch zo onnadenkend zijn.


Het leesboek bestond bijna helemaal uit lessen vaderlandse geschiedenis. Als er gelezen werd moest je goed opletten, want als er een leerling aan het lezen was, zei de onderwijzer plotseling: "die volgt", en dan noemde hij iemand, maar bijna nooit degene die er naast zat. Daarom moest je goed opletten, anders wist je niet waar je moest beginnen.

Ook moesten wij dikwijls opstellen maken over hetgeen wij gelezen, of gehoord hadden en iedereen moest zijn eigen opstel voorlezen, wat soms wel een beetje hakkelend gebeurde. Als het heel slecht ging, dan zei de bovenmeester: "het moet toch wel een dommerik wezen, die zijn eigen schrift niet kan lezen."

Schoolfoto 1912
We kennen slechts enkele namen bij deze foto van 2 oktober 1912.
V.l.n.r. in de voorste rij: (met lei) Leonard van Lent, 5e Bets Hol.
In de 2e rij, 3e kind: Anna Hol, 4e (met wit op kin) Tina Bergonje.
In de 3e rij: 1e: Cisca (Janssen) Reuser, 5e: Dora Bergonje,
8e Anna van Lent (e.v. Daan de Ruiter).
Achteraan 1e: Piet v.d. Heuvel.

WHAM logo

 


website by AageM