Afgelopen zomer werd ik geconfronteerd met een ouderwets Marialof, waarvan ik dacht dat het definitief voorbij zou zijn.
Min of meer toevallig waren wij 's avonds aanwezig in een kleine kloosterkerk.
De dag was al uit de hemel verdwenen, maar de nacht wachtte nog achter het schemer. Naast de zusters waren er ook de overige bewoners van het huis. De kapel was afgeladen vol. Een vroegere pastoor uit onze parochie ging voor in dit ouderwets lof.
Tot mijn verbazing begon zich voor mijn ogen een vooroorlogs Marialof te ontrollen. De zo vertrouwde Maria liederen, waarvan in veronderstelde dat ze nooit meer gezongen werden, ijlden langs de gewelven.
'Nu de rozenkrans nog', dacht ik. En jawel hoor, nog geen minuut later golfden de Weesgegroetjes langs de grijs-wit gepleisterde muren. Met verwondering keken de zusters vanuit de koorbanken neer op zoveel spontaan Maria geweld.
In ieder huis was vroeger wel een groot Mariabeeld aanwezig. Elf maanden van het jaar stond het meestal hoog boven op de kast. Het gouden kroontje raakte bijna de lage zoldering.
Op de eerste mei werd het bestofte beeld zorgvuldig schoongemaakt en op een wat opvallender plaats in de keuken of woonkamer gezet.
Meestal stond het op een laag kastje, tussen bierglazen en jampotten vol boterbloemen en madeliefjes. Deze bloemen werden door ons meestal geplukt langs de dijk en op de uiterwaarden. De bierglazen en jampotten waren meestal niet te zien onder de wolk van voorjaarsbloemen.
Ik kan me niet herinneren dat we ooit gezongen hebben voor ons Mariabeeld. Wel knielden we 's avonds voor het kastje neer om het avondgebed te bidden. Dat duurde nooit lang; 'Maria kijkt niet op de klok', zei mijn moeder altijd.
Het geloof van vorige generaties was een zekerheid die niet vaak genoeg gevierd kon worden. De Mariaverering hing als een sluier over het leven van elke dag en soms zocht het zijn uitweg in een vrome ommegang.