Home
Alphen
Agenda
Fotoalbums
Links
Nieuwsarchief
Plattegrond

Wat is WHAM
Onze collectie
Nieuwsbrieven
WHAM winkel
Wordt donateur
Contact WHAM

Ansichtkaarten
Bedrijvigheid
Bestuur
Bidprentjes
Criminaliteit
Gebouwen
Genealogie
Luchtfoto's
Maaswerken
Mooi Alphen
Muziek
Natuur
Onderwijs
Ontmoetingen
Oorlog
Ouwe kranten
Prinsengalerij
Publicaties
Religie
Signalement
Straatnamen
Verenigingen
Video's
Watersnood
Zoekplaatjes

Nieuw op de site
Zoeken op de site
Contact site

 
Watersnood

Herinneringen aan de watersnood in het Land van Maas en Waal,
in het begin van het jaar 1926.


Dit ooggetuige verslag van de watersnood in 1926 is geschreven door G.J. (Gerrit Jan) de Leeuw. Hij werd geboren in Alphen op 30 augustus 1900. Van 1923 tot 1965 was hij gemeente-secretaris van de gemeente Appeltern. Hij is overleden op 8 juli 1975 in Oss.
De tekst is letterlijk overgenomen, de afbeeldingen zijn door ons toegevoegd (aanklikken voor een vergroting).


Het was donderdag 31 December van het jaar 1925. Stil en vredig lagen daar de talrijke dorpen en dorpjes van het vruchtbare Land van Maas en Waal, niets vermoedend van het onheil dat boven hun hoofden hing. weliswaar kabbelden en golfden de wateren van de rivier de Maas hoog tegen de kronkelende bandijk, en was veiligheidshalve de dijkwacht uitgezet, doch geen ogenblik werd er aan enig gevaar gedacht.

Dijkdoorbraak Nederasselt
Maar toen kwamen de onheilspellende berichten; telefonisch werd rondgedaan dat de Maasdijk nabij Nederasselt bezweken was. Aanvankelijk werd daaraan niet aIle geloof geschonken, doch een onmiddellijk bezoek ter plaatse kon slechts de volle waarheid constateren; wat een vreselijke ramp!
Met woest geweld bulderde de grote watermassa door het bezweken gedeelte van de dijk en werd verder over de vruchtbare landouwen voortgestuwd.

Wat zou de toekomst geven?

Dadelijk werd ingegrepen om de nog niets vermoedende en de nog rustig arbeidende bewoners van de komende ellende op de hoogte te stellen. Overal werden de noodklokken geluid en hoorde men de eerste jammerklachten. Het herinnerde ons aan de eerste oorlogsdagen van het jaar 1914.

Het ruimingswerk begon, iedereen was op de been. Met een beangstigende nieuwsgierigheid vroeg men elkaar naar de juistheid van de berichten.
De laagst gelegen huizen, die het eerst gevaar liepen werden ontruimd. Alles werd in veiligheid gebracht en geborgen op zolders, op hoger gelegen plaatsen, op dijken of bij vrienden en bekenden. Scholen en kerken werden uit voorzorg leeggeruimd om zonodig aan mensen en vee een behoorlijk onderdak te kunnen verschaffen.

Als teken dat de watersnood en het daarmee gepaard gaande gevaar dichterbij kwam, werden volgens de voorschriften in de torens van de kerken, zo hoog mogelijk twee manden uitgestoken. Deze werden 's nachts vervangen door twee brandende lantaarns, die als een onheilspellend teken, over de nog veilig staande huizen en gebouwen het naderende leed verkondigden.
Telegram

Onder al die bedrijvigheid kwam de vloed ieder ogenblik nader. Ziedende golven stroomden door de dijk. Deze was aanvankelijk over een lengte van 40 meter weggeslagen. Dit werd spoedig vergroot tot 80 meter en later tot 125 meter. Voor de doorbraak zou een diepe kolk zijn ontstaan van 40 meter. Dit was een bewijs met wat voor een kracht het water door de dijk stuwde.

Nieuwjaar 1926 gaf weinig goeds. waar anders vrienden en bekenden elkaar welgemeend de hand drukten, en elkaar een zalig Nieuwjaar wensten, werd daar nu niet of weinig aan gedacht. Hun hart was te zeer bij hetgeen nog komen moest. Dag en nacht werd er gewerkt en gezwoegd, zonder oponthoud en vermoeienis te kennen. Alles werd zoveel mogelijk op de vluchtheuvels of op de dijk gebracht. Tenten en loodsen werden in allerijl in elkaar gezet. Karvrachten hout werden van alle zijden aangevoerd. Velen sloegen de handen in elkaar, niet wetende, waar met een en ander een veilig heenkomen te zoeken. Met een zekere vrees werd onophoudelijk geïnformeerd hoever de watermassa gestegen was.

Op 1 januari 1926 liep het water reeds over de wallen bij de Appelternse wetering. Nog diezelfde dag kwam het over de wal bij de Blauwe Sluis en liep het dorp Altforst onder. Het water verraste daar nog velen.

In de morgen van 2 januari kwam het water in de laagst gelegen polder van Alphen. De nieuwe weg Tiel-Wamel liep toen over als een kleine waterval.
Naarmate de vloed hoger kwam werd ook de bezorgdheid groter. Nog met meer ijver werd er gered, ondanks het feit dat veel mensen geen rust hadden gehad sinds het vernemen van de droevige tijding. Bovendien hadden zij zich al die tijd met een weinig brood tevreden moeten stellen.

Inladen vee
In de avond van diezelfde dag stond het water al in de Kerkstraat en de Schoolstraat van Alphen. Enkelen, die aanvankelijk gedacht hadden op hun hoeve te kunnen blijven zitten, moesten in allerijl de vlucht nemen. Haastig werd het vee uit de stallen gehaald en naar de dijk gedreven. Meubels, kleren en levensmiddelen werden nog zoveel mogelijk op zolder geborgen, waarna men zelf een veilig onderkomen ging zoeken.
Het water bleef komen. De benarde omstandigheden waarin de bevolking verkeerde eiste dat de noodzakelijke maatregelen getroffen werden.

Wat de gemeente Appeltern betreft werd er een spoedvergadering van de Raad bijeen geroepen. Deze vond plaats op het gemeentehuis te Maasbommel. In ieder dorp (Alphen; Altforst, Appeltern en Maasbommel) werd een watersnoodcommissie benoemd, aan wie een blanco krediet werd verstrekt, om in de komende noden te voorzien. Al heel vroeg moest voor de aanvoer van levensmiddelen en voederartikelen worden gezorgd, hetgeen dan ook geschiedde. Kleding, als jassen, broeken en hoeden werden enkele dagen later van alle zijden toegezonden. Geheel Nederland was begaan met het lot dat hun landgenoten getroffen had.

Intussen was de weersgesteldheid van die aard, dat nog erger gevreesd werd. Driester kwam de wind opsteken, zwarte donkere wolken dreven woest over de grote eindeloze watervlakte, regenvlagen joegen over de overstroomde gebieden en de wind dreigde soms over te gaan in een vernielende storm. Met dat al keerde de rust en de kalmte bij de mensen niet terug. Meer en meer loodsen en noodstallen verrezen overal. De Maasdijk leek van Appeltern tot het einde van Alphen een grote ruïne. De verslagenheid onder de bevolking was algemeen.
De mensen waren in een staat van paniek, zoals ze in geen tientallen jaren meer gekend hadden. Vele gezinnen waren aanvankelijk nog op zolder gehuisvest gebleven en een opening in het rieten of pannendak diende hen tot in- en uitgang. Deze meer dan komische aanblik zou reden tot lachen gegeven hebben, indien de toestand niet zo ernstig geweest was. Velen waren ook echter op de zolder niet veilig; en moesten noodgedwongen hun huis weer verlaten om bij anderen onderdak te zoeken.
Dak ingang

Moeders met betraande ogen en afgematte en vermoeide blikken, zag men met hun slecht uitziende kinderen langs de slijkerige dijk slenteren, niet wetende waarheen te gaan.
In hun verbouwereerdheid hadden zij enige onbelangrijke dingen uit hun woning meegenomen terwijl al het andere in de steek gelaten was. Geen zeldzaamheid was het dat vijf of zes gezinnen onder één dak samen zaten en elkaars leed deelden.
De behoefte aan hulp werd groot, en gelukkig kwam deze spoedig opdagen. Mariniers en pontonniers waren op verzoek van de burgemeester, en met inwilliging van de hogere autoriteiten, met sloepen en vlotten de Maas af komen drijven. Zij verleenden hulp, waar die het meest nodig was. Voor velen bewezen zij goede diensten, hetzij door de redding van vee en huisraad, hetzij door het overbrengen van levensmiddelen en voederartikelen, naar de door het water afgesloten boerderijen. Vooral in de meer binnendijks gelegen dorpen, zoals Altforst en Puiflijk hadden velen te lang getalmd. Vele varkens en kippen vonden in de vloed een jammerlijke dood. Bij de mensen kwamen in de eerste dagen zelfs gevallen van krankzinnigheid voor. En nog zou het ergste komen. Het regenachtige weer bleef nog steeds aanhouden, en de wind, de alvernieler kwam niet tot bedaren.

Hogendijk
Reeds enkele diep in het water staande woningen, zag men ten gevolge daarvan vernielen. Eerst de muren, die door de golfslag scheurden en omvielen, daarna de binnenmuren, die gaandeweg afbrokkelden, terwijl tenslotte het geheel als een kaartenhuisje ineenviel. De overblijfselen zag men dan later aan de dijk aangespoeld liggen. Opvallend was het hoe onstuimig en gevaarlijk het binnenwater was, en met wat voor een geweld de golven tegen de huizen en de dijk beukten.

De nacht van 7 op 8 januari 1926 was verschrikkelijk. Onstuimiger nog, dan de vorige dagen was het weer, woester en wilder klotsten de golven tegen en over de dijk. Schuimende koppen verschenen op het bruisende water. Met schrik en angst zag men de morgen tegemoet. Een verschrikkelijk aanblik bood het landschap die morgen. Huizen, waaronder nog pas gebouwde flinke boerenwoningen waren ingestort en bezweken. Van velen zag men geen enkel spoor meer boven het water. Daar lag nu het resultaat van al hun zwoegen. In één slag werd de bevolking beroofd van dat alles waarvoor zij jarenlang gewerkt hadden; droevig was hun noodlot! In Alphen lagen die morgen naar schatting 60 huizen tegen de grond, verder waren er nog wel 40 ernstig beschadigd. In Dreumel zouden 70 woningen vernield zijn, in Maasbommel ongeveer 30, terwijl ook in de andere dorpen, vooral Leeuwen, water en wind hadden huisgehouden. Maar met Dreumel was Alphen, wel een van de meest geteisterde dorpen. Ook de bandijken hadden een krachtproef te doorstaan gehad en bleken niet bestand tegen het geweld van het water. Op meerdere plaatsen waren zij als een rijspoor weggeslagen. Wie had zich zo iets kunnen voorstellen.

Nog steeds kwam de vloed hoger. In de openbare lagere school van Alphen waren aanvankelijk 10 gezinnen gehuisvest, die zich daar veilig waanden. Binnen de kortste keren moesten zij echter vluchten omdat het water in de school al snel een hoogte van 1 meter bereikte. Er moest nog meer hulp komen. Niet alleen voor de bewoners, maar ook voor het vee. Het vee, dat vanwege de geringe hoeveelheid hooi, en gebrek aan stalling een gewisse dood tegemoet ging. Meer hulp kwam spoedig. Gehuurde schepen brachten de eerste vluchtelingen over naar de meer veilige plaatsen. Aanvankelijk trokken een 200-tal mensen naar Den Bosch, vanuit Alphen. In Den Bosch waren alle beschikbare plaatsen ingenomen door mensen uit Dreumel zodat de Alphenaren verder getransporteerd werden naar Tilburg. Het was een droevig gezicht, om moeders met kinderen van enkele maanden oud zien te vertrekken. Het was erg voor hun, om de hun dierbare landstreek te moeten verlaten. Dit alles om hun leven in veiligheid te stellen.
Schade

Er volgden nog meer onheilspellende berichten over de Waaldijk. Wanneer deze door zou breken zou het water ongetwijfeld minstens 2 meter hoog komen te staan. Door dergelijke praatjes maakte men elkaar nog meer ongerust en angstig.
Onder de vertrekkenden waren zelfs zieke mensen die hun gezondheid, waar zij al zo lang naar hadden uitgezien, nu op moesten offeren om te vluchten. Mannen, vrouwen, kinderen en grijsaards, jong en oud was meegegaan, en binnen enkele dagen bedroeg het aantal al 800. Voorbeeldig was echter de manier waarop de vluchtelingen ontvangen en verzorgd werden. Ook onze geliefde en beminde koningin Wilhelmina liet zich niet onbetuigd. Alhoewel zij de gemeente Appeltern aanvankelijk niet bezocht bracht zij toch heel spoedig een bezoek aan de bewoners daarvan die in Den Bosch of Tilburg in de kazernes of ziekenhuizen waren ondergebracht. Zij onderhield zich daar met hen op een vriendelijke en belangstellende wijze en bemoedigde en troostte hen zoveel mogelijk.
Ook veel vee werd overgebracht naar de Brabantse boeren, die het goed en gratis verzorgden. Een mooi voorbeeld van naastenliefde werd door hen op deze wijze gegeven. Met grote lof moet vervolgens worden gesproken van het werk dat door het R.K. huisvestingscomité te Den Bosch gepresteerd werd.
De verspreiding van onheilspellende berichten bleef aanhouden. Er werd verteld dat de Waaldijk op sommige plaatsen, o.a. te Dreumel gevaar liep door te breken. Hoewel steeds gezegd werd dat de mensen hierdoor niet meer bevreesd behoefde te raken, zat er in de berichten zeker een kern van waarheid.
Om zonodig allen de vlucht te kunnen nemen, werden verschillende schepen langs de wal gemeerd. Deze moesten daar blijven liggen om bij een eventuele doorbraak van de Waaldijk, met de achter gebleven bevolking een veilig heenkomen te zoeken. Men kan begrijpen welke angstige dagen en nachten doorgemaakt werden. Dank zij het krachtig optreden van de autoriteiten werd een erge ramp verijdeld.
Intussen had het water heel Maas en Waal in een zee veranderd. Het had zo een hoogte bereikt dat het water door de zogenaamde overlaat op Moordhuizen en Dreumel weer in de Maas geloosd kon worden.

Gat op Moordhuizen
Om de dijk op die plaats door te steken werkten daar aanvankelijk ploegen van 25 man. Het wegwerken van de grond vergde echter zoveel tijd, dat men in geen dagen een goed resultaat zou bereiken.
Met de machtiging van de minister werd nu de genie afgezonden, om de dijk op die plaats door middel van springstof te laten springen. Enkele krachtige schoten die tot ver in de omtrek te horen waren hadden de gewenste uitwerking. Spoedig liep het binnenwater over een lengte van ongeveer 125 meter de Maas in.

De eerste dagen gaf dit alsnog weinig verlichting, omdat bij de doorbraak in Nederasselt, nog meer water de polders instroomde, dan er bij de overlaat wegliep. Met het vallen van de Maas, wat echter slechts langzaam geschiedde, werd de situatie wat beter. In de dagen daarna zakte het water ongeveer 15 cm. per dag, zodat de vloed al vlug 1,5 à 2 meter lager stond.
De voedselvoorziening en het onderbrengen van het vee bleef een geregelde zorg. Er moet gezegd worden dat steeds meer vreemde hulp zich aanbood. Een 20-tal studenten van de Technische Hogeschool te Delft hadden zich vrijwillig aangemeld, en zijn hoofdkwartier opgeslagen in het gemeentehuis te Maasbommel. 14 Dagen zijn zij behulpzaam geweest, en het moet gezegd worden dat zij goed werk leverden en belangrijke diensten bewezen. Zij boden vooral hulp aan de plaatsen Maasbommel en Altforst, de dorpen die het meest door het water geïsoleerd waren.
IJverig waren zij in de weer bij het redden van vee en het bezorgen van levensmiddelen aan de mensen die op zolders waren gebleven. Door het woeste en onstuimige binnenwater ging dit zelfs vaak met eigen levensgevaar gepaard.

Inmiddels was de weersgesteldheid omgeslagen. Een koude gure wind kwam uit het noorden, die gepaard ging met een paar nachten strenge vorst. Dit maakte de toestand nog ellendiger. De hele watervloed werd veranderd in een ijszee. Dit had tot gevolg dat vele mensen de eerste dagen niet door of over het water te bereiken waren. Een tocht per boot was onmogelijk, en het ijs was te dun om over te lopen.
Erg was het gesteld met de boomgaarden, vooral in de laagst gelegen plaatsen zoals Dreumel en Alphen.
Dit werd een tweede ware vernieling. De bomen werden door het ijs ingesloten. Met het vallen van het water zakten ook de ijsschollen en het onvermijdelijke gevolg was dat de takken van de stam werden afgescheurd. Van vele jonge boompjes bleef bijna niets meer dan de stam over.
Burgemeester en helpers
Van vele volwassen bomen waren de stammen door de vorst geheel opengespleten. Dit gebeuren was het meest schadelijke van alles. Jarenlang had men gewacht op de tijd dat de bomen vruchtdragend zouden worden, zorgen en kosten waren niet bespaard. Nu werd dit alles in één slag vruchteloos gemaakt. Hele boomgaarden waren vernietigd. Voor duizenden guldens schade was aangebracht, vooral in Dreumel en Alphen. Ook de woningen hadden in die tussentijd nog veel te verduren gehad. Het aantal vernielde huizen bedroeg in Alphen ongeveer 80 en over de gehele gemeente Appeltern ongeveer 125. Andere huizen waren bovendien ernstig beschadigd.
Gelukkig bleef de Maas zakken en ook het binnenwater.
Op 17 januari 1926 werden voor het eerst sinds Nieuwjaar de diensten in de R.K. kerk te Alphen weer hervat, en lagen de Schoolstraat en Kerkstraat weer grotendeels droog. Voor zover mogelijk werden de huizen daar weer betrokken, na ze eerst goed gereinigd te hebben. Begrijpelijk was het dat er binnenshuis geen sprake meer was van ordelijkheid, zodat een goede schoonmaak niet overbodig was.

Op 1 februari ging het onderwijs in de Openbare Lagere School weer van start. Dit voorlopig in twee lokalen, terwijl de anderen bestemd waren voor de berging van kleren en levensmiddelen.
Schade

De belangstelling van vreemdelingen was ondertussen groot geworden. Duizenden kwamen de geteisterde streek bezoeken, om zich persoonlijk op de hoogte te stellen van het vele leed en de ellende als gevolg van de watersnood. Op allen maakte de hele toestand een indruk die hun altijd bij zal blijven.
Met het oog op de later te verlenen schadevergoeding; meende de watersnoodcommissie te Appeltern er goed aan te doen, de leden van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal; schriftelijk uit te nodigen om zich persoonlijk op de hoogte te komen stellen van de ramp. De geschonken milde bijdragen van het Nederlandse volk, zou zeker onvoldoende zijn om de grootste schade te dekken. Aan het verzoek van de gemeente werd op woensdag 17 februari door een 18-tal leden gehoor gegeven. Ook zij allen moesten bekennen dat de gemeente Appeltern op een vreselijke wijze door de watersnood getroffen was. Zij hadden veel in de kranten gelezen, maar zoiets hadden zij zich niet voor kunnen stellen. Half maart was door de particulieren de kapitale som bijeen gebracht van ruim 3,5 miljoen gulden. Daarin hadden Z.H. de Paus Pius Xl en H.M. de Koningin Wilhelmina elk de vorstelijke gift van f 20.000,-- bijgedragen. Dit was een mooie gift die velen tot voorbeeld was.
Deze kapitale som werd bijeengebracht niettegenstaande het feit dat het jaar daarvoor eenzelfde bedrag werd gegeven in verband met de verschrikkelijke storm op 10 augustus in Borculo, Zeeland en Langeboom, waarbij eveneens een enorme schade aangericht was.

IJstafel
Werd hiervoor gezegd dat H.M. koningin Wilhelmina haar belangstelling toonde in het bezoeken van de vluchtelingen in Den Bosch en Tilburg, en het schenken van een vorstelijke gift, de gemeente Appeltern werd ook persoonlijk door haar bezocht, op 19 maart 1926, onder de begeleiding van de commissaris van de koningin van de provincie Gelderland, Baron van Heemstra.

Zij deed dit echter geheel onverwacht en wilde dit bezoek blijkbaar geheel incognito afleggen.
Na eerst Dreumel bezocht te hebben, nam zij de dichting van de Maasdijk onder Dreumel en Alphen in ogenschouw. Daarna ging zij in het laatstgenoemd dorp een kijkje nemen. In de Kerkstraat stapte zij even uit de auto, en onderhield zich daar op een belangstellende wijze met een paar eenvoudige mensen. Vervolgens reed zij naar het gemeentehuis te Maasbommel. Ook dit was geheel onverwacht zodat voorbereidende maatregelen niet getroffen konden worden. Zij liet zich daar inlichten over de algehele toestand door de plaatselijke geestelijke en wereldlijke overheid. Na een kwartier werd verder gereden naar de dorpen Altforst en Appeltern. Te Altforst werd nog even uitgestapt; H.M. ging daar binnen in één van de noodwoningen, waarbij men druk bezig was met de herbouw. Zij wisselde met een paar inwoners een vriendelijke woord. Het bezoek in de gemeente werd natuurlijk zeer op prijs gesteld. Het was de eerste en de laatste maal dat de bevolking zijn geliefde landsvorstin in haar midden mocht ontvangen.
De algemene toestand werd gaandeweg wat beter. Toen het binnenwater een dusdanige hoogte had bereikt dat het niet meer door de coupures te Dreumel en Alphen heen kon, ging het wegvallen daarvan natuurlijk heel langzaam. Men was nu geheel overgeleverd aan de werkkracht van de stoomgemalen. Deze konden begrijpelijkerwijze niet meteen in werking gesteld worden, in verband met de nog te hoge stand van het water in de polders. Lange tijd bleven de polders en de binnenwegen van het westelijk deel van Maas en Waal geheel blank staan. Pas rond half april was men van de kwelgeest verlost.
Nu pas kwamen de gevolgen van de ramp goed voor de dag. Wat een puinhopen lagen er overal! Wat een ruïne en vernieling, ook in de boomgaarden! Wat een reddende en helpende handen zouden nodig zijn om dit alles weer te herstellen. De eerste zorg was natuurlijk de voorziening in de woongelegenheid. De vluchtelingen kwamen langzamerhand weer terug naar hun thuis, hoewel hun land weinig aantrekkelijks vertoonde.

Het bouwbureau 'Watersnood’ werd opgericht, wiens zetel gevestigd was te Nijmegen. Aan deze instantie werd de zorg voor de bouw van noodwoningen en de op- en herbouw van alles wat met woest geweld vernield was toevertrouwd. Voor de gemeente Appeltern werden 75 noodwoningen beschikbaar gesteld. Met de regeling en de plaatsing daarvan ging echter veel tijd gepaard; dit gaf aanleiding tot veel klachten en grote ontevredenheid. Voor juni 1926 was iedereen weer behoorlijk gehuisvest.
Herstel
Ook met de herstelling van de woningen ging het nogal traag. Al kan niet ontkend worden dat een en ander met meer spoed aangepakt had kunnen worden, wel staat vast dat de voorbereidende werkzaamheden van het bouwbureau veel tijd in beslag namen en niet onderschat mogen worden, als men weet dat in het hele gebied van Gelderland, dat onder de watersnood te lijden had gehad, 3900 gevallen van schade aan huizen en gebouwen behandeld moesten worden.
Veel werkzaamheden werden opgedragen aan vreemde vaklui en grote ondernemers van bouwwerken wat vaak ontevredenheid opwekte bij de plaatselijke bevolking, die zich gepasseerd voelde. Ook de nieuwbouw vlotte niet erg. Veel vernielde woningen konden uit verkeersoogpunt of dijksbelang niet op hun oude plaats herbouwd worden, zodat naar nieuw bouwterrein uitgezien moest worden. Dit gebeurde in Wamel, Alphen, Maasbommel en Dreumel. In Maasbommel werden terreinen aangekocht op ‘den Bulk’, en in Alphen langs de Brede Steeg, het Steegje, de Broeksteeg en de Sluissteeg. Er kon niet verwacht worden dat de bewoners in plaats van hun vernielde, meestal oude woning een heel nieuw huis terug kregen zonder enige hypotheek, van de andere kant was het bezwaarlijk om de mensen weer in de schuld te zetten, waar zij pas na jaren vanaf zouden zijn. Over het algemeen konden de meesten met de getroffen maatregelen instemmen. Zij ontvingen een renteloos voorschot, voor de grond en een gedeelte van de bouwkosten, af te lossen in 20 jaar. Ondanks de giften die waren binnengekomen was een Rijkssteun toch onvermijdelijk. Het Rijk verschafte een bedrag van f 700.000- aan het Bouwbureau.
De grote schade aan landbouwproducten bedroeg in de gemeente Appeltern f 300.000-. Deze werd vergoed aan de hand van een vaste maatstaf, waarvan de aanslag in de inkomstenbelasting als basis gold.

Noodwoning
Volgens die beschikking, welke provinciaal geregeld was werd aan de personen met een inkomen beneden f 1200-, de volle schadevergoeding uitgekeerd. Personen met een inkomen van f 1200,- tot f 1800- kregen de helft van de schade vergoed.
Zij, die een inkomen hadden van meer dan
f 2400,- kwamen niet voor een schadeloosstelling in aanmerking. Dat van deze regel afgeweken kon worden en afgeweken werd was in sommige gevallen heel begrijpelijk.
Dat niettegenstaande die regeling nog vele mensen niet tevreden waren zal niemand verbazen. De taak van de plaatselijke commissies die deze uitkeringen moesten vaststellen kon zeker niet dankbaar genoemd worden. De klachten die wat betreft deze regeling geuit werden zijn niet op te sommen en waren tot last voor het Bouwbureau.

Ik hoop dat het bovenstaande u een beeld gegeven heeft van de omvang van de watersnood, van de grote angst die overal parten speelde en van de verschrikkelijke gevolgen voor de bevolking.

'De eenige wensch van alle Maas en Walers is ongetwijfeld, dat zij in den toekomst voor een dergelijken ramp, met zooveel onheil, welke de Voorzienigheid hen bracht, mogen verschoond en gespaard blijven. De watersnood van 1926 zal hen allen lange jaren heugenen. De kinderen en de jongelingen, die dezen hebben meegemaakt, zullen later, wanneer zij onder den last der jaren gebukt gaan, nog met huivering aan hun kinderen en kindskinderen de herinneringen vertellen, die hen van dien ramp zijn bijgebleven'.

G.J. de Leeuw.
Secretaris der
Gemeente Appeltern.
WHAM logo

 


website by AageM